"Belast ons", vragen Britse miljonairs. Maar kan een staat dat nog alleen?
Meer dan honderd Britse miljonairs onder wie Gary Lineker, Brian Eno en Gary Stevenson, vragen de Britse regering om hen zwaarder te belasten. Concreet steunen zij een jaarlijkse belasting van 2 procent op vermogens boven 10 miljoen pond. Dat net degenen die de belasting zouden moeten betalen daartoe oproepen, maakt de vraag bijzonder. Achter die oproep gaat echter een andere vraag schuil: kan een staat zeer vermogende personen zwaarder belasten wanneer andere staten hen juist met gunstige regimes proberen aan te trekken?
Vanuit de Britse politiek werd gereageerd dat vermogende personen vandaag al vrijwillig geld aan de schatkist kunnen schenken. Daarmee wordt echter het verschil tussen een gift en een belasting miskend. Een gift blijft afhankelijk van individuele bereidheid. Een belasting maakt deel uit van een stelsel dat bepaalt wie moet bijdragen, op welke grondslag en tegen welk tarief. Belastingheffing dient bovendien niet alleen om overheidsinkomsten te verwerven, maar geeft ook vorm aan het sociaal contract. De staat zorgt onder meer voor rechtsbescherming, infrastructuur en collectieve voorzieningen. Daartegenover staat de verwachting dat degenen die daartoe in staat zijn, bijdragen aan de financiering ervan.
Het draagkrachtbeginsel geeft richting aan de verdeling van die bijdrage. Wie over een groter vermogen beschikt, heeft in beginsel een grotere capaciteit om bij te dragen. Vermogen kan bovendien draagkracht zichtbaar maken die niet volledig tot uiting komt in het jaarlijks belastbare inkomen. Toch rechtvaardigt dit beginsel niet automatisch iedere vermogensbelasting. De vormgeving moet onder meer rekening houden met waarderingsproblemen en belastingen die reeds op het inkomen uit dat vermogen worden geheven. De oproep van de Britse miljonairs ondersteunt dus het argument dat zeer grote vermogens een hogere bijdrage kunnen dragen, maar geeft nog geen antwoord op de specifieke vormgeving daarvan. Die vormgeving wordt moeilijker door de toenemende mobiliteit van personen. Vermogende personen kunnen in de ene staat wonen, in een andere staat investeren en hun vermogen via structuren in nog andere jurisdicties aanhouden. De belastingplichtige blijft dezelfde persoon, maar de aanknopingspunten waarop staten hun heffingsrechten baseren, raken over verschillende staten verspreid. Verschillende staten kunnen daardoor menen dat zij over een voldoende nauwe band beschikken om belasting te heffen.
Staten ondergaan deze ontwikkeling niet louter passief. Zij gebruiken hun belastingsoevereiniteit ook om mobiele personen aan te trekken, onder meer via bijzondere belastingregimes voor expats, digital-nomadvisa en residence-by-investmentprogramma’s. De voorwaarden en belastinggevolgen verschillen, maar de achterliggende beleidskeuze is vergelijkbaar: de staat biedt een gunstigere behandeling in de verwachting dat de aanwezigheid van de betrokkene investeringen, consumptie of andere (economische) voordelen oplevert. Internationale belastingconcurrentie richt zich daardoor niet langer uitsluitend op ondernemingen. Ook natuurlijke personen zijn steeds meer het voorwerp van concurrentie tussen staten.
Belastingconcurrentie neemt nationale beleidskeuzes niet weg, maar beïnvloedt wel de afweging die eraan voorafgaat. Een staat kan grote vermogens zwaarder belasten vanuit overwegingen van bijvoorbeeld draagkracht, herverdeling en overheidsinkomsten, ondanks het mogelijke risico op vertrek. Een andere staat kan juist een gunstiger regime aanbieden omdat hij verwacht dat de aanwezigheid van vermogende personen investeringen, consumptie en andere (economische) voordelen oplevert. Beide staten oefenen hun belastingsoevereiniteit uit, maar doen dat vanuit verschillende beleidsprioriteiten.
Nadat een staat die beleidskeuze heeft gemaakt, rijst de vraag naar zijn de facto belastingsoevereiniteit: de daadwerkelijke capaciteit om de gekozen belastingregels uit te voeren. Een staat kan juridisch bevoegd zijn om grote vermogens te belasten, maar moet de betrokken belastingplichtigen en vermogensbestanddelen ook daadwerkelijk kunnen bereiken. Het kan reeds volstaan dat een kleine maar budgettair belangrijke groep haar fiscale woonplaats verplaatst. De verwachte reactie van belastingplichtigen maakt daarom deel uit van de voorafgaande beleidsafweging. Wanneer de belasting eenmaal is ingevoerd, bepaalt hun mobiliteit mede in hoeverre die beleidskeuze effectief kan worden uitgevoerd.
Een de jure heffingsrecht volstaat daarbij niet. Zonder voldoende informatie en administratieve samenwerking kan een vermogensbelasting juridisch bestaan, maar slechts gedeeltelijk worden toegepast. De staat behoudt dan zijn de jure belastingsoevereiniteit, terwijl zijn de facto belastingsoevereiniteit tekortschiet. Internationale samenwerking hoeft daarom niet als een beperking van nationale belastingsoevereiniteit te worden beschouwd. Automatische gegevensuitwisseling kan buitenlandse inkomsten en vermogensbestanddelen zichtbaar maken. Administratieve bijstand kan vervolgens helpen bij de grensoverschrijdende invordering van belastingschulden. Zulke samenwerking beperkt mogelijk de vrijheid van staten om volledig unilateraal op te treden, maar versterkt tegelijk hun capaciteit om de belastingen die zij zelf invoeren daadwerkelijk toe te passen.
De oproep van de Britse miljonairs toont daarom meer dan de bereidheid van enkele vermogende personen om een hogere bijdrage te betalen. Zij legt de spanning bloot tussen nationale beleidsvrijheid en individuele mobiliteit. Een staat kan zelf beslissen om grote vermogens zwaarder te belasten. Of het die keuze ook effectief kan uitvoeren, hangt echter mede af van de mobiliteit van personen, de beleidskeuzes van andere staten en de beschikbare internationale samenwerking.
Deel dit artikel