Zeer vermogende individuen belasten: minimumheffing of minder mobiele belastinggrondslagen?
Deze week verschenen heel wat krantenkoppen over zeer vermogende individuen die het VK verlaten. Niet alleen zijzelf vertrekken. Ook een deel van hun vermogen verhuist mee. Dat roept een fiscale vraag op: hoe belast een staat zeer grote vermogens wanneer zowel het individu als het vermogen mobiel zijn? Die vraag stond ook centraal tijdens een hoorzitting van de FISC-subcommissie van het Europees Parlement op 11 december 2025.
Een klassieke vermogensbelasting lijkt op het eerste gezicht eenvoudig: wie veel bezit, betaalt jaarlijks belasting op een deel van dat vermogen. In de praktijk is dat veel moeilijker. In Frankrijk bracht de vroegere vermogensbelasting minder dan 0,2 procent van het bbp op. Ook in Spanje blijft de opbrengst beperkt.
Een van de problemen is liquiditeit. Een individu kan zeer vermogend zijn zonder veel liquide middelen te hebben, bijvoorbeeld wanneer het vermogen vooral bestaat uit vastgoed of aandelen in een familiebedrijf. Ook de waardering van vermogen blijft moeilijk. Voor beursgenoteerde aandelen bestaat een duidelijke marktprijs. Dat geldt veel minder voor familiebedrijven, kunst, trusts of bepaald vastgoed. Een jaarlijkse vermogensbelasting vereist dan telkens een nieuwe waardering. Dat kost tijd en geld en kan tot discussies met de fiscale administratie leiden. Van de dertien OESO-landen die sinds 1965 een nettovermogensbelasting kenden, hebben er vandaag nog vier zo’n belasting. Bovendien is er ook nog de mobiliteit van zeer vermogende individuen en hun vermogen die een rol speelt. Zij kunnen activa verplaatsen, hun vermogen anders structureren of hun fiscale woonplaats wijzigen. Tijdens de hoorzitting werd onder meer verwezen naar het vertrek van ongeveer 12.000 miljonairs uit Frankrijk in 2016 en naar vermogende individuen die Noorwegen verlieten na de verhoging van de vermogensbelasting in 2022. Een belasting kan op papier dus een aanzienlijke opbrengst genereren, maar die opbrengst verliest aan betekenis wanneer een deel ervan door emigratie wegvalt. Bovendien kan emigratie gevolgen hebben voor investeringen en economische activiteit. Er speelt nog iets anders. Zeer vermogende individuen ontvangen hun inkomen niet altijd rechtstreeks. Winsten kunnen jarenlang in een holdingvennootschap blijven zitten. Wie controle heeft over de vennootschap, kan mee bepalen wanneer dat inkomen wordt gerealiseerd. De persoonlijke levensstijl kan ondertussen bijvoorbeeld via leningen worden gefinancierd. Een hogere belasting op kapitaalinkomen lost dat probleem dus niet automatisch op.
Vanuit bovenstaande vaststellingen komen twee verschillende beleidsrichtingen naar voren. De eerste wil garanderen dat zeer grote vermogens minstens een bepaald belastingniveau dragen. Een van de voorstellen is een minimumheffing voor individuen met bijvoorbeeld meer dan 100 miljoen EUR nettovermogen. Die zou werken als een top-up tax. Wie via andere belastingen al voldoende betaalt, betaalt niets extra. Wie onder het minimumniveau blijft, betaalt het verschil bij. Volgens de ramingen die tijdens de hoorzitting werden voorgesteld, zou een minimumheffing van 2 procent in de EU ongeveer 67 miljard EUR per jaar kunnen opbrengen. Bij 3 procent zou dat oplopen tot meer dan 120 miljard EUR. Binnen dezelfde benadering wordt ook gekeken naar inkomsten die in holdingvennootschappen blijven zitten. In de VS bestaan regels die bepaalde passieve inkomsten en opgepotte winsten belasten. Een vergelijkbare aanpak zou ook op EU-niveau kunnen worden onderzocht. Maar ook dan blijft emigratie evenwel een probleem. Als een individu zijn fiscale woonplaats verplaatst, kan de band met de vertrekstaat verzwakken of verdwijnen. Daarom wordt gedacht aan anti-exile mechanisms, zoals exitheffingen op niet-gerealiseerde meerwaarden en trailing residence rules. Die behouden na emigratie nog enige tijd een fiscale band met de vertrekstaat.
De tweede beleidsrichting vertrekt juist van de beperkingen van zulke maatregelen. Volgens die benadering toont de mobiliteit van zeer vermogende individuen en hun vermogen aan dat een nieuwe vermogensbelasting moeilijk duurzaam kan worden vormgegeven. Vermogen kan worden verplaatst of geherstructureerd en ook het individu zelf kan emigreren. Daarom wordt eerder gekeken naar het bestaande belastingstelsel. Uitzonderingen en bijzondere regimes kunnen bijvoorbeeld worden beperkt, en ook betere informatie-uitwisseling en een betere registratie van vermogen kunnen helpen. Tot slot kan meer worden ingezet op grondslagen die minder mobiel zijn, zoals consumptie en onroerend vermogen.
Beide beleidsrichtingen vertrekken van dezelfde vaststelling: zeer vermogende individuen en hun vermogen zijn mobiel. De ene benadering probeert die mobiliteit fiscaal op te vangen door een minimumheffing en een grotere band met de vertrekstaat. De andere kiest ervoor sterker te steunen op bestaande en minder mobiele belastinggrondslagen.
Deel dit artikel